Allemensen!

Wat een mensen

Altijd weer morgen

Mijn kinderen en ik zijn behept met het mañana-mañana-virus. Of onze Spaanse voorouders daar schuldig aan zijn, valt niet met zekerheid te zeggen, maar zeker is wel dat het virus hardnekkig en bijzonder erfelijk is. Wij maken ons nooit zo druk. Alles komt hoe dan ook goed en anders is er altijd weer morgen. Zo staan wij in het leven. Chronisch en soms misplaatst optimisme ligt rotsvast in onze genen verankerd. Dat dit niet altijd een goede eigenschap is, weten wij heus wel. Gemakzucht, chaos en vergeetachtigheid vieren regelmatig hoogtij in ons rommelig bestaan. Wij weten niet beter.

In mijn kleine gezin is leven-in-het-nu geen zweverige hype; het is simpelweg zoals we zijn. Daar kan geestelijk goeroe Eckhart Tolle nog een fraai puntje aan zuigen. Al leverde het nu-principe hem financieel meer op, dat wel. Mijn loopbaan kwam nooit echt van de grond, omdat iets als carrière maken nu eenmaal planning en vooruitdenken behoeft. ,,Kijk naar mij”, roep ik vaak wanhopig naar mijn relaxte nageslacht. ,,Maak nou niet dezelfde fout als ik.” Maar zo erg is het nu ook weer niet met mij gesteld, vinden zij. Trouwens, uitgestrekt voor ze ligt een zalige zee van tijd waarin nog van alles kan gebeuren. Het doet me denken aan een liedje van mijn jaren tachtig helden uit de popgroep Doe Maar: ,,Want wat ook een ander zegt, er is tijd genoeg”, zong Ernst, de knappe toetsenist. Ik geloofde hem toen onvoorwaardelijk en waarom zou ik niet? Mijn hele leven lag riant en uitnodigend voor me.

Tegenwoordig slaat de schrik me regelmatig om het hart en voel ik steeds vaker dat tijd niet schier oneindig is. Dat later-als-ik-groot-ben een inmiddels gepasseerd station is, waar ik ooit vergat om uit te stappen omdat mijn hoofd zo vol met dromen zat. Dromen die op een dag, als de tijd rijp was, uit zouden komen, maar die bijna allemaal stilletjes en onvervuld wachten op wat nog komen gaat. Jaren glipten door mijn vingers, de ene mañana na de andere verdween in het luchtledige. Ik hield oprecht van al mijn dagen, maar van de grond kwam er niet veel. Mijn dromen verborg ik veilig in het rommellaatje in mijn hoofd.

En dat terwijl al die dromen zoveel meer verdienen dan aangenaam tijdverdrijf te zijn. Ze zouden het ferme fundament moeten vormen van alles wat ik doe en zeg. Van de weeromstuit neem ik me voor om nu eindelijk eens werk te maken van het boek, dat ik al zo heel lang schrijven wil. Het verhaal ligt er, de vorm is vrijwel uitgedacht. Hoewel nog steeds licht pruttelend, weet ik dat het tijd is om het roer ingrijpend om te gooien voor een fonkelnieuwe koers. Discipline wordt mijn allerbeste vriend, op de voet gevolgd door haar nette neven reinheid, rust en regelmaat.

Elke dag een draadje is een hemdsmouw in een jaar, zei mijn moeder vroeger tegen dovemansoren. Maar ze had gelijk natuurlijk en precies hetzelfde geldt voor woorden: elke dag tien zinnen is een hoofdstuk in de maand. Zo bezien lijkt de enorme berg die boek heet opeens een stuk beter te behappen. Dapper slik ik onzekerheden weg, als ik besluit om mijn ambitie aan de wereld prijs te geven. Zonder verontschuldigingen, vrees en valse bescheidenheid dit keer. Wat kan me nou eigenlijk gebeuren? Zelfs bij stoppen of floppen is er beslist nog geen man overboord. Want ook dan is er altijd weer morgen.

 

Laat een commentaar achter