Allemensen!

Wat een mensen

Het rode truitje

We zijn gelukkiger dan we denken. Het tijdschrift in het schap bij de kassa slingerde de woorden pimpelpaars en opvallend in mijn richting. Terwijl ik donkere chocolade, stokoude brokkelkaas en een stronkje broccoli op de lopende band legde, dacht ik na over die vervreemdende zin. Het deed me denken aan een voorval van jaren geleden in Brussel.

Vol verwachting brachten mijn toenmalige geliefde en ik een bezoekje aan het Museum voor Moderne Kunst in de Belgische hoofdstad. Wij hadden er zin in, zoals we zin in alles hadden dat weekend. Verliefden zijn de onbetwiste heersers in de wereld van de stedentrips. Er gaat weinig boven het urenlang hand in hand ronddwalen door beeldschone steden, betoverd door elkaar en de schoonheid van een eeuwenoude stad.

Bij aankomst in het museum bleek dat niet alle zalen open waren, vanwege een grote verbouwing. We betaalden echter wel de volle prijs, dus dat er nog meer dan voldoende te bekijken viel, leek zo klaar als een klontje. Onze rondgang startte in een grote, leeg aandoende zaal. In het midden stond een enorme, zwarte stoel. Op de zitting lag een klein, rood truitje. We keken elkaar voorzichtig aan en probeerden elkaars blik te peilen. ‘Tsja’, mompelden we binnensmonds en daarna zeiden we het nog maar eens: ‘tsja’ en ‘bijzonder’. We probeerden er tegelijkertijd interessant en neutraal bij te kijken, wat nog best moeilijk is, maar het moest voorkomen dat een van ons tweeën als cultuurbarbaar zou worden ontmaskerd. Een aantal ‘tsja’s’ en ‘bijzonders’ later vonden wij dat we met goed fatsoen de zaal konden verlaten. Langzaam liepen we verder, ons verheugend op wat er allemaal komen ging.

Tot onze verbazing bleek al snel dat dit alles was, wat het museum op dit moment te bieden had. Lichtelijk teleurgesteld gingen we naar de meneer achter de balie, om hem te vertellen dat we het betaalde toegangsgeld wel erg hoog vonden voor alleen een rood truitje. De man keek ons vanachter zijn hippe leesbril smalend aan. ‘Vergis u niet’, sprak hij kakkineus en met nauwelijks verborgen ongeduld over zoveel kunstzinnige onwetendheid. ‘U heeft veel meer gezien dan u denkt.’ Verbijsterd keken wij hem aan en toen gebeurde het: ik moest keihard en onbedaarlijk lachen. De tranen stroomden over mijn wangen en ik kon niet meer stoppen. Omdat het verheven heerschap steeds roder werd van boosheid, duwde mijn geliefde mij zachtjes maar dwingend richting uitgang, waar ik nog minstens een half uur bleef nahikken en hij me vertederd en liefdevol over mijn rug aaide.

Ik hield ervan als hij zachtjes over mijn rug aaide, terwijl hij me ondertussen zielsgelukkig aankeek. Mijn geliefde vond mij het mooiste meisje van de wereld. Veel mooier dan Brussel en alle andere steden die wij ooit bezochten. Ik geloofde hem. Door zijn ogen vond ik mezelf mooier dan ik voor mogelijk hield en het gekke was dat andere mensen mijn schoonheid opeens ook zagen. Alsof hij iedereen kon laten zien, wat hij in mij zag. Door me te gedragen als het meisje dat hij voor ogen had, ging de wereld voor me open.

Helaas verdween dat meisje na verloop van tijd samen met hem weer uit mijn leven en werd alles bijna hetzelfde als voorheen. Maar niet helemaal. Nooit helemaal. Elke keer veranderde de manier waarop ik naar mezelf keek een beetje. Niet alleen omdat ik ouder en milder werd. Het kwam door alles wat ik meemaakte en door iedereen die me liefhad, dat vooral. De verhalen van mijn leven bleven plakken aan mijn ziel. En al hadden ze lang niet allemaal een happy end; ze maakten mij elke keer meer mij.

Eind deze maand word ik vijftig en vandaag realiseerde ik me voor het eerst, dat ik niet langer de ogen van iemand anders nodig heb om mooi te kunnen zijn. Dat is misschien wel het allerfijnste verjaardagscadeau dat ik mezelf kon geven. Grappig eigenlijk, dat ik zo lang nodig had om dat punt te bereiken. Blijkbaar is het met geluk en schoonheid net als met rode truitjes; het is maar net hoe je ernaar kijkt.

 

Laat een commentaar achter