Allemensen!

Wat een mensen

Ome Toppie

De meneer van de dierenspeciaalzaak stond genoeglijk te kwebbelen met het vogeltje op zijn schouder. Af en toe loop ik een dierenwinkel binnen om even naar de daar aanwezige dieren te kijken. Om de feestvreugde te verhogen, geef ik ze geinige namen. Dat klinkt wellicht een beetje sneu, zeker als u weet dat ik geen huisdieren heb en derhalve niet zoveel in een dergelijke winkel te zoeken heb, maar ieder mens heeft eigenaardigheden en deze liefhebberij lijkt mij tamelijk onschuldig. Het vogeltje zag er zo koddig uit dat ik niet kon laten om te vragen of het beestje misschien ook eens bij mij mocht zitten. Een minuut later liep  Rocky, zoals de vrolijk gekleurde vogel bleek te heten, parmantig over mijn arm naar mijn schouder waar hij tevreden ging zitten kirren, terwijl hij af en toe met zijn snaveltje door mijn haar kroelde.

Toen ik een klein meisje was, wilde ik heel graag een vogel hebben. Dat kwam vooral door ome Toppie, vermoed ik nu. Ome Toppie was een familielid van mijn aangetrouwde tante. Of het in werkelijkheid een oom, een broer of een verre neef betrof, durf ik eigenlijk niet te zeggen. Hij had ook zomaar een goede kennis kunnen zijn, de verhoudingen waren me niet altijd even duidelijk in die tijd en de eretitel ome was niet strikt voorbehouden aan familieleden.

Ome Toppie was geboren en getogen in Utrecht en dat kon je goed horen. Wat er zo grappig was aan de plat Utrechts pratende typetjes van cabaretière Tineke Schouten begreep ik daarom nooit zo goed; mijn halve familie praatte zo. Het was altijd feest als Toppie op zijn oude brommertje kwam aantuffen, wanneer wij toevallig bij mijn oom en tante op bezoek waren. Aan zijn uiterlijk zag je al die levendigheid niet direct. Hij was een klein, onopvallend mannetje met een rood aangelopen gezicht. In mijn herinnering had hij dun, goudgelig haar en een verbleekte tatoeage op zijn onderarm, vermoedelijk van een anker of een rode roos.

Het meest opvallend waren zijn laarsjes: lichtbruine enkellaarsjes met zo’n stuk elastiek ertussen. Ze leken nogal groot in verhouding tot zijn iele lichaampje. Het grappige is dat soortgelijke laarsjes nu weer veel door mannen worden gedragen, maar in die tijd was dat nog helemaal niet het geval. Niet door de mannen in mijn omgeving tenminste. Toen mijn voormalige geliefde een paar jaar geleden vol trots zijn nieuwe schoenen liet zien, riep ik verbijsterd: ‘maar lieverd, dat zijn ome Toppie laarsjes!’ Ja, cool hè’, zei hij, ‘ ik vond ze wel hip.’ Aan mijn gezicht zag hij dat ik daar heel anders over dacht. Ome Toppie was een schat van een man, maar hip en cool waren nou niet bepaald de woorden die mij te binnenschoten als ik aan hem dacht.

Ome Toppie hield hartstochtelijk van een borreltje en na elke slok werden zijn verhalen mooier. In geuren en kleuren vertelde hij met grote regelmaat over zijn papegaai en dat het bijzondere dier ook graag een borreltje lustte. Als het beestje genoeg had gedronken, ging hij op de rand van de tafel zitten, schudde zich zelfgenoegzaam uit en riep overmoedig: ‘laat nu de kat maar komen!’. Dat een papegaai doorgaans niet zelf om een jonge jenever vraagt en dat het beslist niet diervriendelijk is om een vogel alcohol te schenken, ontging mij als kind volledig. Het verhaal bleef voor altijd in mijn hoofd zitten en als ik zelf eens een enkele keer te diep in het glaasje had gekeken, riep ik steevast dat de kat nu komen mocht.

Mijn gekke ome Toppie en zijn vreemde vertelsels ben ik nooit vergeten. Eigenlijk is het best bijzonder dat mensen die niet echt een rol van betekenis speelden in je leven met je meereizen al die jaren. Misschien is dat nou precies de kracht van verhalen.

Laat een commentaar achter